Vrijdag 27 maart. De bus is geladen, Jim zit in zijn bench, en ergens voorbij de Duitse grens begint het langzaam te landen: we gaan echt. De weken daarvoor waren een waas van afscheid nemen, de laatste spullen sorteren en meer etentjes en borrels dan ons lichaam aankon. Daphne bezocht haar oma's, vrienden kwamen nog één keer langs, en overal hing dat gevoel van iets wat eindigt en iets wat begint, tegelijkertijd.
De laatste vier weken voor vertrek woonden we in een vakantiewoning van onze vriend Marco, want ons eigen huis hadden we al achtergelaten. We leefden uit dozen, selecteerden wat mee moest naar Italië en reden de rest naar een opslagunit. Wat je niet kunt meenemen, sla je op. Wat je niet kunt opslaan, laat je los.
In de bus monteerden we een stalen bench voor Jim, groot genoeg om in te staan en te draaien, met een kussen erin. Comfortabel genoeg voor een hond die 1.500 kilometer mee moet. Over reizen met een hond naar Italië maken we later nog een apart verhaal, want daar valt genoeg over te vertellen.
Dag 1: Schnitzel en kristalhelder water
De eerste dag reden we tot Lautrach, een klein dorpje tegen Illerbeuren aan, een uurtje voor de Oostenrijkse grens. Een kneuterig familiehotel waar de tijd een beetje stil lijkt te staan. We aten een Schnitzel en een Cordon Bleu, want als je door Zuid-Duitsland rijdt en dat niet doet, krijg je geen doorgang om verder te reizen.
Langs het hotel stroomt de Iller, een rivier met kristalhelder alpenwater. Zo helder dat je elke steen op de bodem kunt tellen. Jim vond het geweldig. Wij ook. Een goede eerste stop.
Geen doorgang zonder Schnitzel
Dag 2: Een bevroren meer en een verdronken klokkentoren
De tweede dag kozen we bewust niet voor de Brennerpas. Te druk, te saai, te veel vrachtwagens. In plaats daarvan namen we een rustigere route die ons langs de Reschensee bracht, het meer in Zuid-Tirol waar de beroemde verdronken klokkentoren van Graun uit het water steekt. We stopten om te kijken en het was indrukwekkender dan verwacht. Het meer was grotendeels bevroren, maar langs de oever had het water zich een weg gebaand, een stroom zo helder en blauw dat de vorst er geen vat op had gekregen. De klokkentoren stond er roerloos bij, half in ijs, half in lucht. Het soort beeld waar je stil van wordt.
Daarna reden we door de appel- en perenboomgaarden van Zuid-Tirol. En hoewel je technisch in Italië bent, voel je het niet. Alle borden zijn in het Duits met een Italiaans onderschrift. De mensen spreken Duits. De huizen zien er Oostenrijks uit. Het is alsof iemand de grens op de kaart heeft verschoven maar vergeten is het aan de bewoners te vertellen.
Twee nachten aan het Gardameer
Na vijf uur rijden kwamen we uit bij het Gardameer, waar we twee nachten hadden geboekt in Malcesine. Een prachtig plaatsje, dat wel. De witte bergtoppen rondom het meer, de kleine dorpjes die tegen de hellingen aan geplakt zitten, het water dat in de zon bijna onwerkelijk blauw kleurt. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom mensen hier al decennia naartoe komen.
Wat ook niet moeilijk te begrijpen is waarom het zo toeristisch is. Het Gardameer is stevig gericht op de Duitse markt, en dat merk je. Overal Duitstalige menu's, Duitse kranten bij de receptie, en wij die ons best deden om in ons gebrekkige Italiaans iets te bestellen maar steevast "Dankeschön" terugkregen. Blijkbaar zien we er Duitser uit dan we dachten. Of misschien klinkt ons Italiaans gewoon nog als Duits met Italiaanse woorden ertussen. Het is niet onze soort plek, om eerlijk te zijn, maar als tussenstop op weg naar het zuiden is het perfect.
Malcesine, Lago di Garda
We maakten nog een uitstapje met de boot naar Limone sul Garda aan de overkant van het meer, een dorpje dat zijn naam dankt aan de citrusbomen die er overal groeien. Smal, steil, kleurrijk en precies het soort plek waar je even vergeet dat je eigenlijk onderweg bent naar ergens anders. Jim mocht overal mee en gedroeg zich alsof hij al jaren aan het Gardameer woonde.
Zonsondergang aan het Gardameer
Maandag: door de Po-vlakte naar Le Marche
Op maandag reden we de laatste etappe. Door de Po-vlakte, via Verona, Modena, Bologna, Rimini, Ancona. In de achteruitkijkspiegel de witte toppen van de Alpen, steeds kleiner wordend. Voor ons de weg naar het zuiden.
Ergens voorbij Rimini veranderde het landschap. De vlakte maakte plaats voor wat we kennen van Le Marche: groene heuvels die golven als een traag ademend lichaam, af en toe een dorpje op een heuvel, cipressen als uitroeptekens in het landschap. In de verte de witte toppen van het Sibillinigebergte. We voelden steeds meer spanning. Het goede soort. We zijn er bijna.
Ondertussen hadden we Alwin en Bionda op de hoogte gehouden van waar we zaten. Het laatste bericht terug was kort: "Gezellig, de koffie staat klaar."
"Ergens voorbij Rimini veranderde het landschap. De vlakte maakte plaats voor groene heuvels die golven als een traag ademend lichaam."
Aankomst
Toen we het terrein van Villa Alwin Beach Resort (VABR) opreden, stonden Alwin en Bionda ons buiten op te wachten. Voor wie hen kent, weet dat het enorm enthousiaste en hartelijke mensen zijn. Dat merkten we meteen. Handdrukken, omhelzingen, en een energie die zegt: fijn dat jullie er zijn, we hebben zin om samen aan de slag te gaan.
Eerst koffie. Buiten, in het zonnetje. Jim die vrolijk op ontdekking ging in zijn nieuwe habitat alsof hij hier al jaren woonde. Geen aarzeling, geen onrust. Gewoon snuffelen, rondrennen, tevreden gaan liggen. Als Jim zich thuisvoelt, is dat meestal een goed teken.
Na de koffie lieten Alwin en Bionda ons ons onderkomen voor de komende maanden zien. Een van de prachtige lodgetenten op het resort. We verbaasden ons over de grootte. We kennen tenten van vorige werkplekken en van beurzen, maar op deze manier nog niet. Een volwaardige woonruimte met een veranda en zelfs een eigen tuin waar we ons heerlijk kunnen terugtrekken. Dit wordt ons thuis voor de komende maanden. Dat voelt goed.
Regen, wind en dan de zon
Le Marche is een prachtige groene streek met fruitteelt, zonnebloemen en wijn. En voor al dat groen heb je natuurlijk regen nodig. Die kwam de dag na aankomst. Niet zo'n beetje ook. Een flink front met wind en regen dat me deed herinneren aan die verkeerd getimede kampeervakanties vroeger in Nederland, als je om drie uur 's nachts wakker wordt van een klapperend tentzeil en je afvraagt waarom je dit ook alweer leuk vond. Maar vanaf het voorjaar regent het zelden. Twee dagen later was de lucht alweer strakblauw en hebben we het sindsdien niet meer meegemaakt.
Ik schrijf deze blog op eerste paasdag. In onze tuin. In een korte broek. We hebben allebei al een beetje kleur op onze huid. De regen is vergeten, de zon is er, en VABR ligt er prachtig bij. Direct aan zee, slim opgesteld, met een sfeer die je meteen voelt.
We zijn onder de indruk. En we hebben zin om jullie hier binnenkort meer over te vertellen.
Maar eerst nog even genieten van de stilte. En van de koffie die hier, dat moeten we toegeven, een stuk beter is dan thuis.